Spellen: -d, -t of -dt?

DSC01816.1

Veel kinderen maar óók volwassenen hebben er moeite mee: werkwoordspelling! Schrijf je een woord nu met een –d- met een –t- of met een –dt? De volgende ezelsbruggetjes kunnen je daarbij helpen:

  • Zet voor het woord dat je wil schrijven ‘ik’: ik word.
  • Als je ‘ik’ gebruikt, eindigt het werkwoord altijd op een –d- of een –t en
    nóóit op –dt!.
  • Bij alle personen of dingen komt achter de ‘ik-vorm’ een –t: ‘hij wordt’.
  • Een –dt schrijf je alleen maar als de ‘ik-vorm’ al een –d heeft.
  • Bij andere werkwoorden ervaar je dit probleem meestal niet. Dan gaat het automatisch goed. Zoals : ik ren, hij rent,  ik zwem, zij zwemt.
  • De werkwoorden met een –d erin noem je ‘-d woorden’: worden, vinden, antwoorden, bieden, raden.
  • Werkwoorden kennen ook nog een voltooid deelwoord, dat gevormd wordt samen met de woorden ‘hebben’ of ‘zijn’: ‘Ik heb gerend’. De -d werkwoorden krijgen dan meestal een -d. Bijvoorbeeld: ‘Ik heb geantwoord’.

Leave a Reply

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *